De derde van Johnson

Van bluesgitarist en –zanger Robert Johnson was jarenlang geen enkele foto bekend. Op de cover van de eerste lp die er van zijn werk werd uitgebracht stond een fantasietekening van een gitarist. Intussen zijn er twee foto’s opgedoken die door alle experts als ‘echt’ worden aangemerkt.

(Robert Johnson)

Nu is er een derde plaat gevonden, in kleur nog wel. Op de foto zouden Johnson staan, zijn echtgenote Calletta Craft, Estella Coleman, bij wie de bluesman inwoonde en haar zoon, Robert Jr. Lockwood, eveneens een bluesartiest. De afbeelding dook op in een antiek bureau dat Donald Roark, een 64-jarige jurist uit Pensacola, Florida in 2013 op een veiling kocht. Hij zag gelijk dat de linkse man wel erg veel op de Robert Johnson leek die hij van een cd uit zijn verzameling kende. Na twee jaar dubben besloot hij de hulp in te roepen van Lois Gibson, een vooraanstaande forensisch expert van het Houston Police Department. Haar specialisme is het analyseren en reconstrueren van gezichten. Na onderzoek verklaarde zij dat de prent van 7,5 x 12,5 cm. inderdaad van Johnson is, genomen midden-jaren dertig.

Advertisements

Breda basis

 

Het Jazzproject voor de Basisscholen van de Bredase stichting Beaux Jazz heeft de ‘Specsavers Steunt’ actie gewonnen. (Zie ook het interview met Naomi Adriaansz in het vorige nummer.) Het hele jaar wordt er in de plaatselijke winkels van Specsavers gespaard en begin 2017 wordt het bedrag bekendgemaakt en uitgekeerd.

(Breda) Publiek en performers

Inmiddels hebben Adriaansz (altsax) en Tim Welvaars (toetsen en harmonica), tezamen de Team Harmony Band, hun cd Two Souls One Breath in de Amsterdamse North Sea Jazzclub gepresenteerd. Een kwart van de opbrengst gaat naar het Jazzproject voor de Basisscholen.

Een band wordt geboren

Concert
Een band wordt geboren
Don Braden Trio, donderdag 21 januari 2016, Jazzcafé New Orleans, Groningen

Toch altijd weer een wonderlijke ervaring. Hoe een aantal betrekkelijk willekeurige, goede muzikanten die elkaar kennen, maar niet regelmatig als groep samenspelen, in het tijdsbestek van nog geen drie uur kunnen vergroeien tot een hechte band. Dat kunstje flikten Don Braden, Winfred Buma en Jan Voogd maar weer eens in Jazzcafé New Orleans. Dat ze zonder drums optraden had een praktische, prozaïsche reden. De bovenbuurvrouw ligt er elke avond met een omgekeerd glas op de vloer te luisteren of er geen gerucht doordringt, haar hand aan de rode telefoon waarmee ze een live-verbinding met bureau Rademarkt in stand houdt.

maj534x800Het ontbreken van een slagwerker heeft ook zijn voordelen: de muzikanten zijn nu aangewezen op hun eigen innerlijke ritmes. Maar soms mis je hem, zoals in een nummer als ‘Doxy’. Daar had een deugdelijke drummer een duidelijke groove afgedwongen; nu lieten de musici zich wat onbeholpen zakken in een ritme dat bijna ideaal was voor deze relaxte blues. Dat werd dan weer ruimschoots gecompenseerd door tenorist Don Braden, die hier zijn hele hebben en houden op het gebied van sound en frasering in de strijd gooide.

Dat New Orleans Jazzcafé is aan het uitgroeien tot een alleszins deugdelijke jazztent. Die bizarre naïeve fresco’s op dat hoerige rode fond zullen we vermoedelijk reeds binnen tien, twaalf jaar beschouwen als pittoresk. Dat de microfoon het een kwartier na de officiële begintijd reeds bijna deed, was eveneens een gunstig teken. Die microfoon was overigens uitsluitend bedoeld voor Bradens fluit en voor de jeugdige gastvocaliste Gosia Julia Maj, die in ‘I’m Old Fashioned’ een potje meezong. Maj lijkt me uit het goede hout gesneden; ze verviel niet gelijk in oeverloos gescat (een beginnersfout), maar speelde muzikaal met melodie en maatstrepen. Dat ze daarbij begeleid werd door een Braden die haar steunde met sympathieke, stevige, zangerige frasen zal haar niet in de weg hebben gezeten. Maj mag kortom veelbelovend genoemd worden – en met dat hoge register komt het helemaal goed.

In het openingsnummer ‘There Is No Greater Love’ had Braden al listig ‘It Don’t Mean A Thing (If It Ain’t Got That Swing)’ verwerkt. Dat leek me een statement over de rest van de avond. In Horace Silvers ‘Peace’ speelde hij een heel chorus dat bestond uit een dalend riffje van drie noten, dat herhaald en gemoduleerd werd en de contouren van de melodie schetste. Een grote spanning viel ons ten deel. Don Braden deed zijn Johnny Griffin in Chic Corea’s ‘Bud Powell’. En in het laatste nummer van de avond, Charlie Parkers ‘Big Foot’, vlak voordat de ME binnen zou vallen, ging hij op de kirktranegriff-toer. Alles werkt nog voortreffelijk onder dat koele kalende schedeldak; Braden gaat wat dat betreft steeds meer op Sam ‘The Man’ Taylor lijken. Adeldom schept verplichtingen, mijnheer.

Ondertussen hingen gitarist Winfred Buma en bassist Jan Voogd de ideale begeleiders uit. Buma’s solo in ‘Body And Soul’ legde de bedevaartsroute van Les Paul naar Wes Montgomery af, waarmee hij een volle aflaat in de wacht sleepte. In het reeds genoemde ‘Doxy’ speelde hij met de saxofonist om en om vliegensvlugge solofrasen – waarbij het de kunst was elementen van elkanders solo over te nemen en te transformeren, wat even komisch als muzikaal werkte. Elders, in ‘Peace’, neuriede zijn gitaar bijna onhoorbaar achter de solo van Voogd.

Tenslotte een welgemeend advies aan alle muziekcafés: kunnen jullie voor met een doordringende alt gezegend vrouwvolk niet een apart plekje achteraan de bar creëren, uitgerust met daartoe geëigende akoestische panelen? Namens alle muziekliefhebbers: dankjewel.

Foto  Zoltan Acs
Labels: concert

(Eddy Determeyer, 29.1.16)

(www.draaiomjeoren.nl)